MIA/Vamil

De Milieu-Investeringsaftrek (MIA) en Vrije afschrijvingen milieu-investeringen (Vamil) hebben tot doel het stimuleren van investeringen in milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen en technieken. Technieken en bedrijfsmiddelen die in aanmerking komen staan op de Milieulijst.

Investeringen uit de volgende categorieën komen in aanmerking:

  • Grondstoffen- en watergebruik (bijv. grondstofbesparende industriële apparatuur)
  • Voedselvoorziening en landbouwproductie (bijv. duurzame melkveestal)
  • Mobiliteit (bijv. elektrische bestelwagen)
  • Klimaat en lucht (bijv. apparatuur voor elektrificatie van processen in de chemische industrie)
  • Ruimtegebruik (bijv. groendak, groene gevel of muur)
  •  Gebouwde omgeving (bijv. isolatiemateriaal van 100% gerecycled polystyreen)

Wie kan MIA-meldingen doen?
Alle ondernemers die belastingplichtig zijn voor de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting investeren in nieuwe energiebesparende bedrijfsmiddelen die op de Milieulijst staan.

Hoeveel fiscaal voordeel kan ik krijgen?
U kunt tot wel 45% van de milieu-advieskosten, aanschaffingskosten en eventuele voortbrengingskosten van milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen aftrekken van de fiscale winst. Het aftrekpercentage is afhankelijk van het bedrijfsmiddel en is 27%, 36% of 45%.

Voor Vamil geldt dat investeringen in en voortbrengingskosten van milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen voor 75% kunnen worden afgeschreven vanaf het moment dat u als onderneming, vereniging of stichting het nieuwe bedrijfsmiddel heeft gekocht of waarop u er kosten voor maakt. U bepaalt zelf wanneer de investeringskosten van een bedrijfsmiddel worden afgeschreven.

Dit voordeel komt bovenop uw reguliere afschrijving. Het netto-voordeel van de MIA/Vamil kan oplopen tot 14%.

Wanneer kan ik MIA/Vamil aanvragen?
MIA-meldingen kunnen doorlopend worden gedaan gedurende het gehele kalenderjaar. Belangrijk is dat investeringen binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting bij RVO moeten zijn aangemeld. Voortbrengingskosten moeten binnen 3 maanden na het kalenderkwartaal waarin de voortbrengingskosten zijn gemaakt of binnen 3 maanden na de datum, waarop het bedrijfsmiddel in gebruik is genomen, zijn gemeld.